De encycliek Deus Caritas Est (God is Liefde) van Paus Benedictus XVI
Fragment uit de encycliek “God is Liefde” van Paus Benedictus XVI:
“Daarom is het niet de geest alleen, noch het lichaam alleen, dat liefheeft: het is de mens, het individu, het schepsel dat bestaat uit de vereniging van lichaam en geest, dat liefheeft. Alleen wanneer beide dimensies werkelijk verbonden zijn, krijgt de mens volledig gestalte. Alleen dan is de liefde – eros – in staat om tot volle wasdom te komen en zijn ware pracht te verkrijgen.”
Dit citaat uit zijn eerste encycliek “God is Liefde” van Paus Benedictus XVI zal ongetwijfeld gelden voor elk individu, ongeacht het gegeven of deze een heteroseksuele dan wel een homoseksuele geaardheid kent. Ook voor de homoseksuele mens geldt daarom dat hij/zij pas werkelijk mens wordt als lichaam en geest verenigd en met elkaar in evenwicht zijn. Eros is dan in staat om de ultieme glans aan zijn/haar leven te geven, een glans die niemand een ander mag proberen te ontnemen.
Benedictus XVI gaat in genoemde encycliek uitvoerig in op de liefde. Het zeer helder geschreven stuk geeft een inkijkje in de wijze waarop de paus denkt over de liefde en seksualiteit en het resultaat mag gerust verassend genoemd worden.
Opvallend zijn de volgende zaken:
1. Benedictus stelt dat de menselijke liefde een unieke combinatie is van Eros en Agapè. Eros noemt hij hierbij de lichamelijke, romantische liefde en Agapè de onzelfzuchtige, gevende liefde. De ultieme combinatie van deze vormen van liefde komt daarbij het sterkst tot uitdrukking in de monogame duurzame liefdesrelatie, hetgeen ik van harte onderschrijf. Hij rekent deze ware liefde echter tot het exclusieve domein van man en vrouw, omdat God “man en vrouw” schiep.
Benedictus gaat hierbij echter voorbij aan het feit dat binnen het Nieuwe Verbond alles “nieuw” is geworden, en niet langer “man en vrouw” de norm is (Gal. 3, 28: “Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: u bent allemaal één in Christus Jezus”).
2. Nergens in het stuk wordt expliciet gesteld dat de liefde primair in het teken van voortplanting zou moeten staan. Benedictus stelt dat de liefde het grootste geschenk is van God aan de mensen en geheel op zichzelf staat. Ook dit aspect onderschrijf ik van harte.
3. Het is opvallend en ook bemoedigend dat Benedictus zijn ideeën op het gebied van de liefde voortdurend toets aan de Heilige Schrift, en slechts in geringe mate aan de Traditie van de Kerk. Hij lijkt soms zelfs enigszins om die traditie heen te willen gaan of haar te willen nuanceren. Hij haalt in zijn analyse weliswaar vele grote (traditionele?) denkers binnen de Kerk aan, maar hanteert ook het gedachtegoed van denkers buiten de Kerk, bijvoorbeeld Plato en Aristoteles. Benedictus laat zijn analyse dus voeden met vele filosofische vruchten van vele grote denkers uit het verleden, maar beoordeelt deze opnieuw en plaatst ze breder in verband dan een paus waarschijnlijk ooit eerder heeft gedaan. Met name dit aspect is zeer bemoedigend want het is exact datgene waartoe ik de Kerk wil uitnodigen ten aanzien van het thema homofilie.
4. De bevestiging van genoemde unieke liefdesrelatie dient volgens Benedictus te geschieden binnen het kerkelijk huwelijk. Ook dit aspect zou ik van harte willen onderschrijven, met daarbij echter de opmerking dat in het licht van het voorgaande het logisch zou moeten zijn dat het kerkelijk huwelijk ook dient te worden opengesteld voor duurzame monogame man/man of vrouw/vrouw relaties. Wie zijn wij immers om te oordelen of de individueel als uniek beleefde liefde niet goed genoeg zou zijn voor zegening door God?
5. Benedictus stelt dat het streven naar zuivere liefde in de vereniging van Eros en Agapè, een aspect is dat in elk individueel mens van nature aanwezig is: de potentie daartoe is immers juist datgene wat de mens maakt tot “mens als beeld van God”. Omdat de RK Kerk daarnaast voor priesters het celibaat kent, als symbool van ultieme toewijding aan God, dienen zij plechtig te beloven zich te onttrekken aan de natuurlijke drive tot het aangaan van een diepe liefdesrelatie met een ander individu. Zij dienen er daarentegen voortdurend naar te streven om deze drive aan te wenden tot het verdiepen van de liefdesrelatie met God.
Maar hoe zit het met mannen die geen belofte van celibaat hebben afgelegd en intens van een andere man houden, of vrouwen die intens van een andere vrouw houden? Zijn zij niet geschapen naar het beeld van God? Is het de taak van de Kerk om deze mensen het diepe verlangen naar ware liefde te ontzeggen?
6. Benedictus noemt de liefde van Jezus voor Johannes (zie ook hoofdstuk 9) als voorbeeld voor de liefde van Jezus voor zijn apostelen in het algemeen. Dit aspect moet ik helaas serieus tegenspreken, duidelijk is immers dat de liefde die Jezus voor Johannes voelde een duidelijk ander karakter had dan de liefde die hij voor andere apostelen, bijvoorbeeld Petrus (de eerste kerkleider) voelde. Meer hierover in het boek.